
Een wat provocerende titel, ik geef het toe. Maar uitleg volgt. Ooit was de Elzas één van de vele provincies van Frankrijk, maar in 1790 deed de regering het volgens haar verouderde systeem van provincies in de ban en introduceerde de begrippen regio’s en departementen. Alle departementen hebben dezelfde opbouw: het is een niet al te groot gebied dat vanuit de hoofdstad wordt bestuurd. De departementen hebben hun naam niet te danken aan historische gebeurtenissen, maar aan de geografische ligging (naam van een rivier of een berg bijvoorbeeld). W keek een beetje vreemd op toen ik een foto van een Franse nummerplaat aan het maken was. Het had een reden: op de kentekenplaat van een Franse auto staat het nummer van het departement waar de auto geregistreerd is. Riquewhir ligt in het departement Haut Rhin (nummer 68). Ook aan de postcode kun je het departement aflezen, we hebben hier postcode 68340. Departement 68 maakt deel uit van de regio Grand-Est. Wanneer je het over de oude provincie Elzas hebt, heb je het eigenlijk over de departementen 67 (Bas Rhin), 68 (Haut Rhin) en 90 (Territoire de Belfort). Dacht eerst nog even dat de Vogezen tot de Elzas behoorden, maar departement 88 hoorde (vroeger) tot Lotharingen. Heerlijk die detailinformatie toch?

Ondanks het feit dat de Elzas (Alsace) dan “wettelijk” niet meer bestaat, gebruikt iedereen de naam. Ik dus ook maar. Het gebied is (samen met Lotharingen) een speelbal geweest in de handen van hertogen, koningen, keizers, presidenten, bisschoppen, kardinalen, pausen en andere lui met een “eerbiedwaardig” stempeltje. Het maakte tot circa 1600 onderdeel uit van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse natie. Cultureel was het gebied geheel geïntegreerd in het Duitse Rijngebied. De Franse invloed was marginaal: de taalgrens met het westen werd gevormd door de Vogezen. De Franse koningen probeerden na de Middeleeuwen de Duitse gebieden ten westen van de Rijn in hun bezit te krijgen en aldus de Rijn tot grensrivier te maken. Na 1600 begon dit streven vruchten af te werpen: zo werd Straatsburg bijvoorbeeld in 1648 Frans. Lotharingen werd pas in 1766 geannexeerd. Na de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) mocht Frankrijk Elzas-Lotharingen aan Duitsland afstaan (met uitzonderingen van het huidige departement 90 (Territoire de Belfort), na WO I werd het weer Frans. De vele burchten die uitkijken over de uitgestrekte wijnvelden geven aan dat de Elzas altijd een strategische positie heeft ingenomen bij de strijd om het grondgebied, ze getuigen van een roerig verleden.
Opvallend is dat ondanks al dat strijdgewoel in de plaatsen die we bezocht hebben (o.a. Riquewihr en Colmar) zoveel oude huizen staan. Blijkbaar stonden de lopen van de kanonnen en tanks steeds een andere kant op gericht.
zaterdag 21 september: riquewihr en omgeving
Laat in de ochtend (de wasmachine moest eerst draaien) te voet naar Riquewihr en ja hoor: al die leuke oude plaatsjes liggen op een bult. Een stadje dat je moet bezoeken (en samen met ons doen dat gemiddeld zo’n twee miljoen anderen per jaar). Van oorsprong een middeleeuwse stad met twee stadsmuren en verschillende verdedigingsbolwerken. De verdedigingstoren de Dolder (1291) staat op een toegangspoort. Belgen zouden zeggen “de toren en de vakwerkhuizen zijn rijkelijk bebloemd”. Net als elders in de Elzas bevinden de wijnkelders zich hier binnen de muren van de versterkte stad. Op deze manier werden ze beschermd tegen vijandige aanvallen. In andere wijngebieden liggen de domeinen juist buiten de bebouwing. W had net gezegd “Dit stadje doet me denken aan Rothenburg ob der Tauber” toen we een filiaal van de grootste Duitse firma in kerstartikelen tegenkwamen: Kathe Wohlfahrt.

Veel volk op de been, dus anderhalf uur wachten op een toeristentreintje (eerst middagpauze en daarna de eerste rit “complet”) was niet echt een optie.






Terug naar de camping en na de verlate lunch de fiets gepakt om een fantastische tocht door de omgeving te maken, het merendeel tussen de wijnranken. De Vogezen vormen een perfecte beschutting tegen de gure weersinvloeden uit het westen. Dat is de voornaamste reden dat de Elzas bekend staat als een van de zonnigste wijnstreken van Frankrijk. Bijgaand kaartje laat de ligging van de wijngebieden zien ten opzichte van de Vogezen en de Rijn. 90 Procent van de druiven zijn wit, de Pinot Noir vond ik eigenlijk het mooist aan de struiken hangen (en eerlijk gezegd heb ik liever een rood dan een wit sapje). Met uitzondering van de mousserende Crémant moet alle wijn in de lange Flûte-d’Alsacefels gebotteld worden (wettelijk voorgeschreven). De flesjes die we zagen waren pittig geprijsd. Toch een dezer dagen maar eens naar de supermarkt.
W kookte vandaag, nee niet de plaatselijke specialiteit choucroute, waarbij de aardappelen naast de zuurkool en het spek liggen, maar bracht een bezoekje aan de food-truck-van-de-dag met de mooie naam “Bella Rita”.
Zonnig, 25 graden.
zondag 22 september: fietsen naar colmar
Een paar drupjes van boven zorgden ervoor dat onze fietstocht naar Colmar, de hoofdstad van de Elzaswijn, pas tegen half twaalf kon beginnen. Eerst de jas en de trui aan, later mochten die uit. Een mooie fietstocht. Alleen mogen de Fransen wel eens een cursus “hoe-markeer-ik-een-route” volgen: daar waar bordjes stonden waren ze vaak volstrekt overbodig en op alle cruciale momenten ontbraken ze. Met een fietskaart, twee telefoons en een beetje gezond verstand kwamen we er uiteindelijk uit. De tocht ging weer grotendeels door de wijnvelden (af en toe afgewisseld door fruitbomen). Alleen de laatste vijf kilometer mochten we de Route Departementale volgen, niet zo’n gezellig weggetje met al die scheurende en toeterende Fransen.

Colmar werd gesticht in de 9e eeuw en stond toen bekend onder de naam Columbarium. Lange tijd Duits, een paar jaar Zweeds en in 1678 werden de Fransen de baas. Veel vakwerkhuizen, een stukje “Klein Venetië”, een overdekte markt, wat kerkenspul en veel, heel veel toeristen. “Het is net de kerstmarkt van de Intratuin in het groot” zei W en vatte daarmee perfect de stad samen. Na een paar uur door de stad gezworven te hebben (wel met de fiets, die soms aan de hand moest), had W nog graag van alles willen bekijken, maar vond ik het wel mooi geweest. Terug naar “huis”. Weer een mooie dag met 45 kilometer op de teller.
Eerst bewolkt, later zon, daarna weer bewolkt; temperatuur maximaal 24 graden. Later op de avond opnieuw regen.
donderdag 19 september: @ fuussekaul (luxemburg)
De ochtend in Budel begon om half acht: koffie voor mij, een half uur later thee voor W. De laatste afbakbroodjes moesten op, geeft zo’n heerlijke meur in ons huisje dank zij ons Omnia oventje. Tegen negenen was ook het looswerk gebeurd. De eerste avond was W tot de ontdekking gekomen dat er in de camperplaatskeuken geen warm water was, dus gisteren maar in ons campertje afgewassen. W is daar altijd erg blij mee, hoeft ze alleen de afwasborstel in de hand te nemen en kan ze het theedoekwerk uitbesteden. De douche op de cp had overigens geen douchekop en er ontbrak een kraan. Je kunt niet alles hebben op een camperplaats.
Het oorspronkelijke plan om een wandelingetje te maken langs de “Doodendraad” werd gewijzigd in een wandeling door het natuurgebied de Malpie bij Valkenswaard, want “Ik heb de laatste dagen al genoeg ijzerdraad gezien” (woorden van W). Een kleine 8.000 stappen door het gebied waar we eerder deze week gefietst hebben leverde mooie plaatjes op. We begonnen bij de Venbergse watermolen. Deze molen werd voor het eerst vermeld in een document uit 1227 van Hertog Hendrik I van Brabant. Het volledige ”Ommetje De Malpie” zou wat teveel tijd in beslag nemen. We moesten nog verder.




Dat verder werd een tochtje naar Fuussekaul in Luxemburg, een gehucht met een gelijknamige camping waar we voor 12 € all-in op de mooi verzorgde camperplaats mochten staan. Nog een klein probleempje om er te komen: twee keer werden we door een motoragent naar links of rechts de weg afgestuurd (de richting mochten we zelf kiezen) vanwege een “extraordinair” transport; een kudde vrachtwagens met windmolenonderdelen had de weg nodig. Waarom doen ze dit soort transporten niet ’s nachts? Het bleef bij de-weg-afsturen, voor de rest mochten we het zelf (dus Google Maps) uitzoeken.
Behalve camping Fuussekaul en de camperplaats (code campercontact 20.141) exploiteert de eigenaar een naturistencamping, de Reenert, vlak achter onze camperplek gelegen maar onzichtbaar. We hebben zelfs niet overwogen om er te gaan staan, we waren blij met ons truitje (al was de hemel strakblauw).
V: 141.953; A: 142.209
Rijtemperatuur: tussen 11 en 19 graden.
vrijdag 20 september: @ riquewhir
Nog even prettig tanken in Luxemburg, al worden de prijsverschillen met met name Duitsland steeds minder. We betaalden 1,126 € per liter, In Duitsland zijn we een dubbeltje duurder uit. Het verschil met Frankrijk is wel groot, we zagen prijzen tot boven de anderhalve Euro.
Onze geplande camping in het plaatsje Riquewhir in de Elzas zouden we tijdens de lange middagpauze bereiken. Een pauze van twee en een half uur, is dat nog van deze tijd? Plannetjes bijgesteld: camping behouden maar vandaag al de Route des Crêtes gereden, een weg die in de richting noord – zuid alle hoogten van het massief van de Vogezen met elkaar verbindt. In het Nederlands kun je de naam vertalen met “route van de bergkammen” of zoiets. De weg is aan het begin van de Eerste Wereldoorlog aangelegd en diende om de bevoorrading van Franse troepen mogelijk te maken. We begonnen bij de Col du Bonhomme en deden daarna nog de Col de la Schlucht en de Grand Ballon aan. Deze laatste top (ballon is “afgeronde top”) is met 1424 meter het hoogste punt van de Vogezen. De lucht was zo helder dat we in de verte de Alpen konden zien liggen. W dacht dat ze de Mont Blanc nog bespeurde en volgens de boekjes zou dat best eens waar kunnen zijn. De weg over de Grand Ballon komt trouwens niet hoger dan 1325 meter, de laatste 100 meter naar de top moet je te voet afleggen. Mooie route en geprofiteerd van het heldere weer.





Om goed vier uur kwamen we op de geplande camping aan. Nog op tijd, want twee uur later hing het bordje “complet” voor de ingang van Camping de Riquewhir te Riquewhir (code campercontact 29.209), waar we met ons ACSI-kaartje terecht konden. Het is half september! Mooie camping, schoon sanitair. Morgen maar eens gebruik maken van de wasmachine en het historische stadje bezoeken. Voor vandaag genoeg gedaan.
V: 142.209; A: 142.601
Rijtemperatuur: tussen 11 en 21 graden; in het middelgebergte rond de 12.
Een geruststelfoto voor de oude moeders: vandaag rundercarpaccio met gebakken aardappeltjes en een gemengde salade (sla, komkommer, paprika, ui en ei met een honingmosterddressing), als toetje tiramisu (wel van de Lidl). En dan nog een afbeelding voor kleinzoon Q die vlaggen spaart: de vlag van de Elzas.
dinsdag 17 en woensdag 18 september: @ budel
We zijn dan nog wel dakloos, maar normaliter gaan we in deze periode een week of zes op reis. Vandaar dus de titelseriewisseling (Word accepteert het woord!). Nog even in Eibergen een mooie bloem uit de akkerranden opgezocht: zowel de plantenapp van W als de mijne kwam tot de conclusie dat het Groot Kaasjeskruid moet zijn (Malva Sylvestris L). Daarna snelwegvermijdend (over Duitsland) naar Budel, je weet wel: dat plaatsje op het puntje waar België, Limburg en Noord-Brabant samenkomen. Noord-Brabant, gemeente Cranendonk en wel camperplaats Budel met de Campercontactcode 29.354. Ben er een week of vijf geleden nog geweest om te kijken of je er goed kunt fietsen. Ja dus, vandaar ons bezoek.
Na installatie snel op de fiets voor een rondje omgeving. De naam Cranendonck komt van het gelijknamige kasteel dat halverwege de 13e eeuw werd gebouwd en in 1673 door Franse soldaten met de grond gelijk gemaakt. Men heeft nooit het idee gehad om het kasteel te herbouwen. Tegenwoordig staat er een kasteelachtige villa naast de gerestaureerde contouren. Onderstaande prent is een afbeelding van het originele kasteel.
Het grootste gedeelte van onze tocht ging over de Groote Heide, wat deel uitmaakt van een grensoverschrijdend natuurgebied van zo’n 6.000 ha. En natuurlijk het kon niet missen: al snel knalde de evergreen door de virtuele Budelse ether. W had nog het idee dat er iets met een eiland in het lied voorkwam, maar googelen leverde het volgende resultaat op:
Op de grote stille heide
Dwaalt een herder eenzaam rond
Wijl zijn witgewolde kudde
Trouw bewaakt wordt door zijn hond
En al dwalend ginds en her
Denkt de herder: “Och hoe ver
Hoe ver is mijn heide
Hoe ver is mijn heide, mijn heide”.
Ik beperk me tot het eerste couplet. In het tweede wordt de heide “schoon” en in het derde “rijk”.
Staatsbosbeheer heeft het hier wel aardig voor elkaar.
Soms ben je in Nederland, soms in België, dan weer een stukje op de grens.
In Wereldoorlog II was België bezet en Nederland neutraal. De Duitsers hebben toentertijd de complete grens afgezet met stroomdraad. De 2000 volt die op de draadjes stonden leverden deze afzetting al snel de naam Doodendraad op. Eerder dit jaar waren we dit gezellige dingetje al tegengekomen in de buurt van Ittervoort, zie eventueel http://berrynales.blogspot.com/2019/04/de-draad-des-doods.html als je meer info wilt.
Ruimte genoeg, dus je denkt: afstand houden tot de andere campers. Komt er eentje aanrijden en voert op een stuk of vijf plekken de “schoteldans” uit. Uiteindelijk schijnt hij alleen vlak naast ons Puzzeltje een signaal van de satelliet te kunnen ontvangen, gelukkig vanavond toch nog kijken naar de samenvatting van de hoedjes van onze vrouwelijke politici. Nog twintig plekken leeg! Op zich niet zo’n ramp, maar ik had een drijfnatte luifel en die moest helemaal uit. Je snapt het al: dat kon niet. Verplaatsen van ons Puzzeltje? Ammenooitnie.
V: 141.788; A: 141.953
Rijtemperatuur: rond de 15 graden, later op de dag tijdens het fietsen wat hoger.
De nacht van dinsdag op woensdag was wat “frio”: een graadje of 3. Binnen was het wat warmer gebleven, dus Puzzel liet nog net niet haar water lopen, oftewel in gangbaar Nederlands: de vorstbescherming van de boiler trad niet in werking. De wind stond vandaag verkeerd: afstallige wind (nee geen fout, namelijk wind van de stal af) van de varkensschuren van de buren, wat kunnen die beesten meuren. ’t Is dat we voor twee nachten betaald hadden, anders zou je onmiddellijk de koffers pakken. We zagen er dan ook in de loop van de dag een aantal: camper neerzetten, neus ophalen en vertrekken!
W had een verzoekje: graag een fietstocht door de Malpie. Tip van vriendin M te L die woorden sprak als “ongekende schoonheid” en “mooi wandel- en fietsgebied”. Er loopt een geasfalteerd fietspad van Borkel en Schaft naar de Venbergse watermolen aan de rand van Valkenswaard. De Malpiebergse heide is een mooi open heidegebied dat grotendeels in eigendom van de gemeente Valkenswaard is. Ook Natuurmonumenten bezit een deel van het gebied.
Al eerder waren we de Sint Benedictusabdij van Achel tegengekomen. De officiële naam is de abdij Onze-Lieve-Vrouw-van-la-Trappe-van-de-heilige-Benedictus. Als je deze namen gebruikt zal een Budelse imboorling je vreemd aankijken, de mensen hier kennen de abdij alleen onder de naam Achelse Kluis. Misschien morgen meer, de kans is groot dat we er een wandeling gaan maken. Achelse Kluis is ook de naam van het natuurgebied rondom de abdij.


Na 45 kilometer fietskilometers kon ik mijn uitgedraaide luifel in de gaten houden en W een wandelingetje maken. Later op de dag nog even op schattenjacht. Leuk tochtje met twee caches, een aan een vennetje en de ander bij een oud “kadaverhuisje”. Een kadaverhuisje was bedoeld om dode dieren in op te slaan die dan later door de vrachtwagen van het destructorbedrijf opgehaald werden. De huisjes waren heel degelijk gebouwd met een stenen vloer en watervoorzieningen voor de schoonmaak (zowel af- als aanvoer). Tot in het begin van de negentiger jaren is het huisje aan de Heikantstraat in Budel in gebruik geweest. Tegenwoordig ziet het er niet meer uit: soort opslagruimte met waarschuwingsborden voor waakhonden. Heb een soortgelijk huisje van internet geplukt.

De tweede cache vonden we bij een leuk bankje tegenover de Zinkfabriek van Budel-Dorplein. De cache had de toepasselijke naam “uitgeput en uitgerust”, leuke verstopplek in een put. Er was een tijd dat heel Budel-Dorplein eigendom was van de Zinkfabriek (Dorplein is genoemd naar de directeur van de fabriek, Dor). Alles werd geregeld door de fabriek (het wegennet is pas in de jaren 60 van de vorige eeuw voor een symbolisch bedrag overgegaan naar de gemeente). Zelfs de schoolmeester en de veldwachter stonden op de loonlijst. Dorplein was een vrijwel volledig van de Zinkfabriek afhankelijk dorp. Ordehandhaving stond ook op de takenlijst van de fabriek. Vechtersbazen, stropers, smokkelaars, dronken mannen en “bepaalde Belgische vrouwen” werden door de “gard” opgesloten in de plaatselijke gevangenis (ook eigendom van de fabriek). Eigenaren en leidinggevenden waren vooral Walen (in ieder geval werd er Frans gesproken), de gevangenis was erg klein, dus al snel werd het in de volksmond “het prisonneke” genoemd.
Er kwamen nog eens een kleine 15 fietskilometers bij tijdens deze zoektocht naar verborgen schatten.


Het weer: halfbewolkt, oplopend tot 19 graden. W had vanmorgen de handschoenen aan op de fiets.