noordpolderzijl

noordpolderzijl

zondag 24 mei 2026

overpinksteren - 4: programma’s gescheiden

“Jouw verhaal over de driedeling van Gelderland (Veluwe, Achterhoek en Betuwe) in een vorig blog getuigt van een enorme bejaardheid“ schreef een “jeugdige lezer“ (F te P) mij. Je moet met je tijd meegaan, is haar mening. Tegenwoordig dien je meer rekening te houden met een indeling van Gelderland op basis van samenwerkingsverbanden. Ze noemt met name moderne onderwerpen als woningbouw, verkeer, economie, openbaar vervoer, zorg, natuurbeheer, arbeidsmarkt en infrastructuur. Niks indeling op basis van oude historische cultuurstreken. Gewoon een frisse wind laten waaien door bestuurlijk Gelderland en dan kom je op de volgende deelgebieden uit: de groene metropoolregio Arnhem-Nijmegen, regio Rivierenland, Achterhoek, Noord-Veluwe en Foodvalley. Ook bijgaand kaartje is van ChatGPT.

Eigenlijk zit ik met een levensgroot probleem. Heb dit seizoen al een paar keer asperges gegeten en in tegenstelling tot voorgaande jaren stinkt mijn urine niet. Die geur wordt veroorzaakt door zwavelverbindingen die vrijkomen bij de afbraak van asparagusinezuur. Volgens Gemini van Google: “Dat je dit nu niet ruikt en andere jaren wel, komt vrijwel zeker doordat je reukvermogen tijdelijk is verminderd (virus of verkoudheid , of doordat de hoeveelheid enzymen in je lever is veranderd (de enzymen die je lichaam gebruikt om stoffen in asperges af te breken variëren. Dit proces kan door de jaren heen veranderen door bijvoorbeeld je leefstijl, medicatie of voedingspatroon). Tenslotte kan er sprake zijn van asperge-anosmie: je hebt wél stinkende urine, maar omdat je specifieke geurgenen hebt nemen jouw hersenen de zwavelgeur niet waar.“ Copilot van Microsoft had nog een aanvulling: “Het kan ook nog aan de asperges liggen, niet elke asperge bevat dezelfde hoeveelheid geurproducerende stoffen. Dat hangt af van onder meer ras, bodem, oogsttijd en versheid“. De lieverd sluit uiteindelijk af met een geruststellend “het is niet iets om je zorgen over te maken“. Vanavond toch maar weer asperges op het menu en dan gaan we voor “wie van de drie“.

zondag 24 mei: @ balgoy

Niet zo’n echt fijne nacht: beetje veel warm. Zo’n nacht waarbij (in ieder geval tot aan een uur of vier) twee blote lijven naast elkaar liggen te liggen met alle ramen open om maar een beetje “koelte“ te vangen. Och, zoiets hoort er ook bij als je campert en het is mooi weer. Om 06:00 uur vanmorgen was het afgekoeld naar 17 graden (binnen) en twee uur later waren daar al weer een paar streepjes bijgekomen. W mag en moet vandaag alleen fietsen: ik heb de kilometers en het strompelwerk van de afgelopen dagen in mijn benen zitten en die ledematen vragen nu om een dagje rust. Even naar de super kan nog net, dus na ons ontbijt even naar de Jumbo in Wijchen, gewoon open op Eerste Pinksterdag.

Daarna moest W “meters maken“ en had een leuk tochtje uitgestippeld: van Balgoy naar Grave, daar de brug over; langs de linkeroever van de Maas naar de grote veerpont bij Megen in de N329 en via de rechteroever terug. Links en rechts wordt dan bepaald door de stroomrichting. Bijgaand kaartje was het uitgangspunt, maar de nodige aanpassingen werden tijdens het fietsen gemaakt wanneer een muziekcorps uitnodigde om deel te nemen aan het feestgewoel in een van de dorpen, een weg was afgezet of een pad schreeuwde om wel of niet befietst te worden.



In deze omgeving kom je regelmatig, dikwijls en vaak herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog tegen, eentje hebben we er onlangs bezocht: de stalen parachutes van Overasselt. Geen wonder dat je hier vaak met de neus op de feiten wordt gedrukt: in de winter van 1944 en het voorjaar van 1945 veranderde het Land van Maas en Waal van een rustige landbouwstreek in een gebied vol spanning, vernieling en oorlogsgeweld. De dorpen tussen de Maas en de Waal lagen ineens dicht bij het front. Dat alles had te maken met de rivieren in dit deel van het land, die speelden een belangrijke rol in de oorlog. De Waal was een natuurlijke barrière en werd zwaar bewaakt. Maar voor je bij de Waal bent moet je de Maas over, tenminste als je van Normandié komt. Één van de opties was de grote verkeersbrug bij Grave en die brug heeft zo’n belangrijke rol gespeeld dat hij later werd hernoemd tot John S. Thompsonbrug (naar één van Amerikaanse officieren). Voor de geallieerden was deze brug van groot strategisch belang, omdat zij een snelle route nodig hadden richting Nijmegen, Arnhem en uiteindelijk Duitsland. Op 17 september 1944 begon Operation Market Garden. Het plan van de geallieerden was ambitieus: parachutisten moesten belangrijke bruggen in Nederland veroveren, terwijl grondtroepen snel zouden oprukken via een smalle corridor. De brug bij Grave was één van de eerste grote bruggen die intact moest worden ingenomen. Als de Duitsers de brug zouden opblazen, zou de opmars ernstig vertraging oplopen. Een tweede essentiële brug was die over de Waal bij Nijmegen. Deze kwam op 20 september in geallieerde handen. Hierdoor was het Land van Maas en Waal eind september al bevrijd gebied, Hoewel het in de winter van 1944 - 1945 geen onafgebroken groot slagveld was, was er allesbehalve rustig. Het gebied leefde maandenlang onder de dreiging van oorlog, met beschietingen, militairen, vernielingen en voortdurende onzekerheid. De brug bij Grave is tegenwoordig een belangrijk historisch monument. Jaarlijks worden hier herdenkingen gehouden voor de soldaten van de 82e Airborne Division. Ook zijn er monumenten en informatieborden die uitleg geven over de gebeurtenissen van september 1944. Daarmee blijft de brug niet alleen een verkeersverbinding over de Maas, maar ook een blijvende herinnering aan een beslissend moment in de oorlogsgeschiedenis van Nederland. Op haar tocht langs de dijken kwam W regelmatig herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog tegen, soms groot (zoals bij de brug bij Grave), maar meestal klein: plaquettes van neergestorte geallieerde vliegtuigen; evacuaties tijdens de winter van 1944–1945; beschietingen over de Maas en Waal; de aanwezigheid van Amerikaanse en later Canadese troepen. Veel van die kleinere monumenten zijn niet groot of toeristisch, maar juist lokaal geplaatst door dorpsgemeenschappen.

Toen W terug was van haar tocht konden we samen nog even naar het pop-upmuseum dat door de wederhelft van Yvon (van de camperplaats), verzamelaar Ruud van Haren, tijdens het pinksterweekend is opengesteld. De tentoonstelling richt zich op de geschiedenis en herdenking van de Watersnoodramp in het Land van Maas en Waal. Ruud heeft het nodige verzameld (en uitgestald): originele edities van kranten die de watersnoodrampen van 1926 en 1953 beschrijven, plus staatscouranten uit 1925; oude kaarten en archiefstukken van en uit de dorpen langs de Maas uit 1873; penningen, documenten en een houtskooltekening van Mastenbroek; boeken over Wijchen, Balgoiy en het Land van Maas en Waal. Kwam ook Boudewijn nog tegen en een plaatje van Wim Kersten en de Viltjes, ja: die van het bloemetjesgordijn, maar nu iets over het water in de Maas.







Tegen vijven waren er drie geuren die de baas probeerden te spelen op de camperplaats: zonnebrandcrême, asperges die op verschillende manieren werden klaargemaakt en een weëge geur van paardenpis (kon alleen niet achterhalen waar dat gemeur vandaan kwam, geen manege in de buurt).

Een mooie Eerste Pinksterdag. Volop zon en achter in de 20 graden. En morgen? Morgen is er weer een dag! We blijven nog een dagje hier en fietsen naar Oss, de plaats waar Zwanenberg de fabriek van Unox heeft overgenomen, maar daarover morgen meer. Dan ook het verhaal van de moeder van W die regelmatig ging winkelen in Oss.

zaterdag 23 mei 2026

overpinksteren - 3: een pontjesdag zonder pontjes

Heb een paar opmerkingen gekregen over het lied van Boudewijn de Groot waarin hij Het Land van Maas en Waal bezong. Volgens muziekkenner M te E heeft het wel wis en waarachtig wat met het gebied te maken waarin wij nu bivakkeren. Ze zegt “De Groot haalde inspiratie voor dit lied uit Hatsji-Bratsji's toverballon, een kinderboek van Franz Karl Ginzkey uit 1904 dat hem als kind voorgelezen werd. In dit verhaal zweeft Pietje in een ballon over het Land van Maas en Waal. De Groot had allerlei fantasieën bij dit land en stelde in 1966 de titel voor aan Lennaert Nijgh“. Mag ik het dan als volgt samenvatten? Je zou kunnen denken dat het lied een beschrijving van de streek is, maar dat klopt helemaal niet. In het echte Land van Maas en Waal zijn geen “groene hemels”, “bruine zonnen” of “circus Jeroen Bosch”-achtige optochten. De tekst is expres surrealistisch en fantasierijk geschreven. Het idee van het lied kwam uit het hoofd van De Groot die als kind een verhaal gehoord had over iemand die “over het Land van Maas en Waal” vloog. Die naam klonk voor hem geheimzinnig en sprookjesachtig.

Gisteren tijdens onze fietstocht vroeg W: “Maakt het Land van Maas en Waal onderdeel uit van de Betuwe?“ Wel dat soort vragen stellen en meteen eisen dat de teksten van mijn blogs niet te lang worden. Valt niet helemaal te rijmen, maar: ik doe mijn best. De verhouding tussen de Betuwe en het Land van Maas en Waal is eigenlijk vrij simpel: het zijn twee verschillende streken binnen het Gelderse rivierengebied, maar ze liggen direct naast elkaar en hebben veel overeenkomsten. Voornaamste punt: de Betuwe ligt ten noorden van de Waal en Het Land van Maas en Waal ligt tussen die twee rivieren. De Waal vormt als het ware de scheiding tussen beide gebieden. En ik vroeger maar geleerd hebben dat Gelderland uit drie delen bestond: de Veluwe (de Vale ouwe), de Graafschap (de olde Graafschap) en de Betuwe (onze rijke Betuw). Die drie delen worden ook in het Gelders volkslied bezongen: alle drie “kostlijk deel van Gelres Oord". Laten we het er maar op houden dat “voortschrijdend“ inzicht heeft gezorgd voor een wat meer fijnmazige indeling en dat de oude driedeling tegenwoordig veranderd is in Veluwe, Betuwe, Land van Maas en Waal, Graafschap (Achterhoek) plus nog een paar kleinere regio’s zoals de Liemers. Kan ik mee leven, jij ook? ChatGPT heeft het kaartje in deze alinea gemaakt. Ik sta er niet 100 procent voor in.

zaterdag 23 mei: @ balgoy

Pinksterzaterdag en wakker worden met het volgende bericht: “Pinksterzaterdag in Wijchen verloopt zomers warm en droog. De temperatuur loopt op naar een tropische 30 °C, gecombineerd met flink wat zon en een zwakke wind. Houd rekening met een UV-index rond de 6; onbeschermd verbranden kan al in 15 tot 25 minuten.“ (bron: Weerplaza.nl) Vannacht niet al te warm geweest, dus goed geslapen. De zon stond al wel vroeg op het camperdak te tetteren: lang uitslapen was er niet bij.

Koffie, ontbijten met afbakbroodjes (buiten), wat sanitair gerommel en de afwas waren de hoogtepunten van deze ochtend vóór we ons konden opmaken voor een hernieuwde kennismaking met het Land van Maas en Waal. Had wat verzoekjes van W verwerkt in een fietsroute die de werktitel “van Balgoy naar Hernen“ meegekregen had. Omdat we gisteren al kennis gemaakt hebben met het fenomeen “Pontjesdagen“ (het draait vooral om fietsen, varen, genieten van het Maasgebied én allerlei kleinschalige activiteiten onderweg) doen we vandaag de Pontjesdagen zonder pontjes: we houden niet van lang wachten in de palle zon. De Pontjesdagen zijn nog een vrij jong evenement (het fenomeen bestaat pas een paar jaar), maar ze zijn in korte tijd uitgegroeid tot een populair toeristisch weekend in het Maasgebied. Het idee achter de Pontjesdagen ontstond vanuit een eenvoudige gedachte: “ontspannen recreatie dichtbij huis”. De Pontjesdagen stimuleren mensen om het Maasgebied op een rustige en duurzame manier te beleven, vooral zonder haast, met aandacht voor natuur en landschap. De nadruk lag oorspronkelijk op de pontjes over de Maas (niet alleen praktisch vervoer, maar ook cultureel erfgoed én een belevenis op zich), later - toen de organisatie groeide - kwamen er allerlei activiteiten bij zoals streekmarkten, rondleidingen, kunstprojecten, kortingsacties, proeverijen en culturele optredens. Wij storten ons vandaag in dit feestgewoel, maar dan zonder de pontjes, terwijl die eigenlijk in het centrum van de belangstelling zouden moeten staan volgens de organisatie: “[....] De pontjes zelf hebben trouwens een veel langere geschiedenis dan het evenement. Eeuwenlang waren veren onmisbaar voor bewoners van de streek. Voor bruggen overal verschenen, waren pontjes dé verbinding tussen dorpen, markten en steden. Boeren, handelaren, kerkgangers en reizigers maakten dagelijks gebruik van deze overtochten. Sommige veerdiensten bestaan al honderden jaren.“ (bron: www.pontjesdagen.nl).

Ons eerste stoppunt was het kasteel Wijchen. Één van de vele kastelen hier in de omgeving. De oorsprong van dit gevalletje ligt eind 14e eeuw, toen de eerste versie van het kasteel werd gebouwd: 1392 om precies te zijn. Tot aan de 17e eeuw was het voornamelijk een verdedigingswerk met een ander uiterlijk dan het huidige kasteel. De achtereenvolgende bewoners, eigenaren en de bij een kasteel horende familieruzies zal ik je deze keer besparen. In 1932 kocht de gemeente Wijchen het kasteel. Het werd als raadhuis in gebruik genomen. Na een grondige restauratie zijn sinds 1996 de raad- en trouwzalen van de gemeente in het kasteel gehuisvest. Met de Museumkaart konden we “gratis“ naar binnen en (bijna) het gehele gebouw bekijken. Rottrappen, pas later zag ik dat het pand ook een lift had. Sommige zalen zijn in gebruik door de gemeente en dus niet openbaar.



Een paar leuke exposities op het kasteel, te beginnen met een bijzondere presentatie van kunstenaar Yves Eau (ja het is een pseudoniem). Hij maakt kunstwerken van natuurlijke materialen zoals drijfhout, stro, wilgentakken, zonnebloemen en plantenmateriaal. Van dat spul produceert hij “interpretaties“ van onder meer bekende schilders (Vincent van Gogh en Claude Monet konden we met ons kunstkennersoog ontwaren). Vaak lijken de creaties van de kunstenaar op het eerste gezicht schilderijen, maar als je er met de neus bovenop gaat staan zie je het bijzondere materiaalgebruik. Yves was er zelf ook en probeerde zijn geëxposeerde werken aan de man te brengen. “Kleurstelling past niet helemaal bij de inrichting van onze living“, sprak W toen ze een prijskaartje had gezien.


Veel indruk maakte de tentoonstelling Het Woeste Water, die aandacht besteedt aan de oudejaarsnacht van 1925 toen de Maasdijk bij Nederasselt doorbrak. Het water stroomde het Land van Maas en Waal in. Dorpen in vijf gemeenten werden verrast door het natuurgeweld. Huizen verdwenen onder water en mensen moesten vluchten. Na enkele dagen begon het streng te vriezen. Drijvende ijsschotsen zorgden voor nog meer schade aan huizen en land. Pikant detail: de Nederlandse regering noemde het geen nationale ramp. Daarom was er geen geld van de overheid. De inwoners moesten het zelf oplossen. Onze Willemien (koningin van dienst) kwam nog wel even handjes schudden maar de knip bleef gesloten. Een deel van de expositie gaat dan ook over inzamelingsacties die toen gehouden werden en hoe de noodhulp op gang kwam. Voor W en mij een totaal onbekend verhaal.

Toen we genoeg cultuur hadden opgesnoven kon onze fietstocht “echt“ beginnen. Een windmolentje pakken we daarbij graag mee, vooral wanneer het de “Schoonoord“ in Alverna is (klemtoon op de tweede lettergreep: Al-VER-na), een ronde stenen beltmolen uit 1887. De molen staat op een vrij lage belt (een kunstmatige heuvel) naast het voormalige klooster Schoonoord dat gelijktijdig is gebouwd en dat in 1980 is afgebroken. Interssant feit: de molen is tijdens de oorlog door het verzet gebruikt om signalen te geven. Regelmatig gerestaureerd, de laatste restauratie dateert van 2006. De molen is weer draaivaardig en laat af en toe de wieken wapperen. Draaivaardigheid niet verwarren met maalvaardigheid, maar er is hoop: het authentieke gaande werk uit 1887 is nog steeds aanwezig, al is het decennialang niet gebruikt. Met een paar handige handjes en vooral met een flinke pot subsidiegeld kan de molen dus nog maalvaardig gemaakt worden. Je weet dat ik wat heb met molens. Het mooiste van Schoonoord vind ik de ligging: een herkenningspunt midden in het landschap van Wijchen en Maas en Waal. Er stond een vrachtwagen voor pianovervoer voor de molen, dus je zult het met een geleende foto moeten doen.

Na de molen volgden een achttal “wegtrapkilometers“, voor een deel door de woonwijken van Wijchen, maar ook het industriegebied liet zich van zijn mooiste kant zien. Daarna een stukje weidse weiden en toen tikten we de Heerlijkheid Leur aan. Tja, hoe heerlijk is een heerlijkheid? In de vroege middeleeuwen slaagden enkele adellijke grondbezitters erin om steeds meer politieke, economische en juridische macht te verwerven. Ze noemden zich ‘heer’ en hun gebied heette ‘heerlijkheid’. De heer woonde in een kasteelachtige woning, van waaruit hij zijn gebied bestuurde. Zo ook bij Leur in het Land van Maas en Waal. Zo’n heerlijkheid bestond vooral uit een hoeveelheid rechten, zoals het recht om orde te handhaven, rechtspraak toe te passen en belasting te innen. Ook het jachtrecht, visrecht en molenrecht hoorden daarbij. Vaak waren de heren alleen verantwoording verschuldigd aan de koning of de keizer, dus niet aan een hertog of graaf. Www.spannendegeschiedenis.nl: “Het Land van Maas en Waal telde verschillende van dit soort heerlijkheden. Als een van de weinige heeft Leur haar karakter als landgoed kunnen bewaren. Leur hoorde in de Middeleeuwen tot het aartsbisdom Keulen. In 1311 kwam Leur in het bezit van Cisterciënzer monniken, die de woeste grond ontgonnen en geschikt maakte voor de landbouw. Eind 18e eeuw is een landgoed aangelegd met park in romantische landschapsstijl. Opvallend zijn de grote, statige lanen met prachtige eiken en beuken. Te midden van dit parkbos vinden we geen kasteel, maar een sober, statig landhuis met classicistische motieven uit de 18e eeuw. Het landgoed telt bijna 50 hectare en is nog altijd in bezit van een adellijke familie“. We kwamen een paar keer een landhuisachtig bouwwerk tegen, die we voor Huis Leur uitscholden, een juiste foto vonden we op internet (www.heerlijkheidleur.nl).

Na het Hernense Ven opnieuw een kasteel: Kasteel Hernen. Naar men zegt één van de best bewaarde middeleeuwse kastelen van Nederland. Je voelt onmiddellijk de sfeer als je in de buurt komt: dikke verdedegingsmuren verbergen ridders, jonkvrouwen en schandknapen (oeps: schildknapen). W fluisterde onmiddellijk “Floris was here!“ en als je in het najaar van 1969 naar de nederlandse televisie gekeken hebt weet je wat dat betekent: hier werden opnames gemaakt voor de populaire jeugdserie Floris, met onder andere de jonge Rutger Hauer in de hoofdrol. Dankzij die serie kreeg het kasteel landelijke bekendheid en spreekt het nog steeds tot de verbeelding van jong en oud. Overigens: de opnamen (dertien afleveringen) vonden plaats in de zomer en herfst van 1968, voor een groot deel op Kasteel Doornenburg en daarnaast onder meer op Kasteel Hernen, Slot Loevestein en in Gent en Brugge. Wat Kasteel Hernen bijzonder maakt, is dat het nooit is verbouwd tot een luxe paleis, zoals bij veel andere kastelen gebeurde. Daardoor heeft het zijn oorspronkelijke middeleeuwse karakter behouden. De geschiedenis van het kasteel gaat terug tot de veertiende eeuw. Waarschijnlijk stond er eerst een eenvoudige woontoren, die later werd uitgebreid tot het kasteel zoals we dat nu kennen. Door de eeuwen heen woonden hier verschillende adellijke families. Zij gebruikten het kasteel niet alleen als woning, maar ook als veilige vesting in onrustige tijden. “Het is een waterkasteel“, sprak W, “en het staat bekend om zijn karakteristieke overdekte weergangen“. Ze kan het weten want ze is een paar jaar lang donateur geweest van Geldersch Landschap & Kasteelen die dit complex nu beheert. 

De tuinen werden gebruikt voor een plantenbeurs: je mag 5 Euro per persoon neertellen om vervolgens plantjes te mogen kopen, beetje vreemde gedachtengang vind ik. De foto's die we van het kasteel maakten bevat dan ook een aantal kraampjes.

In het jaar dat ik geboren werd stond Kasteel Hernen op een postzegel afgebeeld (Zomerzegel 1951 - kastelenserie). Voor ik vragen krijg over zomerzegels in het algemeen: Zomerpostzegels of kortweg Zomerzegels was in Nederland een jaarlijkse uitgifte van een serie bijzondere postzegels met een toeslag die bestemd is voor "sociaal en cultureel werk". De eerste serie zomerzegels werd in 1935 uitgegeven. Daarna kwam er elk jaar een serie zomerzegels op de markt, met uitzondering van de periode 1942 tot 1946. De dienstdoende postbesteller (volgens mij was dat toen TNT Post) heeft besloten vanaf 2011 géén Zomerpostzegels meer uit te geven.

Een bezoek aan de Lidl aan de Touwslagersbaan in Wijchen topte ons tripje bijna af en met de fietstassen vol nat en droog konden we beginnen aan de laatste kilometers naar onze camperplaats waar ons busje heerlijk in de zon stond te tetteren maar waar de grote witte doos van de buurman ons de nodige schaduw gaf. W begon spontaan het begin van het Gelders volkslied te zingen “Waar der beuken brede kronen Ons heur koele schaduw biên“ maar ze was even de weg kwijt: allereerst zitten we niet op de Veluwe en ten tweede was het kunststof dat ons zijn schaduw bood. Een mooie dag. En morgen? Morgen is er weer een dag. We blijven nog een dagje hier (misschien moet ik schrijven: we blijven nog één dagje hier, maar ik heb geen cursus koffiedikkijken gevolgd). Na een kopje zout water (W noemt dat soep) moest één van ons nog even een ijsje halen, in Grave inderdaad. 28 fietskilometers is te min. En om half vijf hadden we een biertje verdiend.

 

vrijdag 22 mei 2026

overpinksteren - 2: over twee oude vestingstadjes, een ruïne en een pontje

Gisteren om 16:00 uur was het zo ver: complet, full of gewoon zoals hier “vol“ (zie foto). Wij hebben een plaats in de herberg. En “hier in de herberg“ is Balgoy in het Land van Maas en Waal dat sinds 13 februari 2020 een eigen streekvlag heeft. Er zijn wat varianten in omloop maar volgens Wikipedia is de hier afgebeelde versie de enig juiste: “De vlag toont drie even hoge banen van wit-blauw-groen en een geel wapenschild in het midden waarin twee golvende rivieren die de letters M en W vormen.“

Word al een paar ochtenden wakker gezongen door Boudewijn de Groot. Eerlijk gezegd was het W die haar best probeert te doen. Ik prefereer eerlijk gezegd de versie van Boudewijn, die is namelijk iets zuiverder van aard. De tekst is in beide gevallen ongeveer hetzelfde:

Onder de groene hemel in de blauwe zon
Speelt het blikken harmonieorkest in een grote regenton
Daar trekt over de heuvels en door het grote bos
De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch…

Heb me altijd afgevraagd in hoeverre dit nummer (tekst van Lennaert Nijgh) iets met het Land van Maas en Waal te maken heeft. Het nummer verwijst naar verschillende zaken zoals de Egmondse abdij, Klaas Vaak, Pierlala, de koning van Spanje en tipt terloops een paar oerhollandse woorden aan als snoeshaan en brandewijn. Maar wat Egmond en Pierlala nu met het gebied te maken hebben waar ons campertje een paar dagen bivakkeert? Bijgaande foto laat Boudewijn de Groot zien met zijn gouden plaat die hij voor dit nummer kreeg in 1967. Op de achtergrond slot Loevestein dat volgens mij ook nog maar net met veel moeite in het land van Maas en Waal ligt (op de landtong waar de Maas en de Waal - als Afgedamde Maas - samenkomen. Persoonlijk zou ik dat eerder eerder de Bommelerwaard noemen: Loevestein ligt dan wel in het rivierengebied van de Maas en Waal, maar als je het hebt over “het Land van Maas en Waal“ dan heb je het volgens mij over een specifieke regio die iets oostelijker begint, rondom plaatsen als Druten en Wijchen. Maar ja: mijn geografische kennis van dit gebied is ook maar beperkt. Op onderstaande foto naast de vlag van Nederland die van Gelderland en natuurlijk kan het Land van Maas en Waal ook niet ontbreken. En ja: de vlaggemasten stonden scheef, de wind komt hier meestal uit het westen. Je ziet dat het vandaag niet erg waaide op de camperplaats.

Een ding moet duidelijk zijn: als je “Land van Maas en Waal“ hoort kun je op je klompen aanvoelen dat je te maken hebt met twee rivieren, de Maas en de Waal. Van oudsher was het gebied sterk afhankelijk van die rivieren. Deze zorgden voor vruchtbare landbouwgrond, maar brachten ook gevaarlijke overstromingen met zich mee. Daarom werden al eeuwen geleden dijken aangelegd om de dorpen en akkers te beschermen. Tegenwoordig zijn deze dijken niet alleen belangrijk voor de waterveiligheid, maar ook populair bij wandelaars en fietsers vanwege het mooie uitzicht over het rivierenlandschap. Boomgaarden vol bloesem in het voorjaar trekken extra toeristen aan. Volgens Yvon, de eigenaresse van onze camperplaats, is “haar“ gebied “een streek met een rijke geschiedenis, een karakteristiek landschap en een sterke band tussen mens en rivier“ en zij kan het weten: het staat ook in haar foldertje.

vrijdag 22 mei: @ balgoy

Vandaag stonden Ravenstein en Batenburg op ons programma, een fietsprogramma inderdaad. In vrijstaat Ravenstein waren we al een paar keer eerder. Weer zo’n klein stadje, maar die hebben meestal de grootste verhalen: Volgens kenners is het “[....] een stadje waar geschiedenis, religie, vestingbouw en Brabantse gezelligheid samenkomen. Juist die combinatie maakt Ravenstein zo bijzonder en geliefd bij bezoekers die houden van authentieke plekken met karakter.“ Je zoekt het aan de Maas, tussen Nijmegen en Den Bosch. Ravenstein ontstond in de veertiende eeuw rondom een kasteel dat werd gebouwd door ridder Walraven van Valkenburg. Aan hem dankt de stad ook haar naam. Dankzij de gunstige ligging aan het water groeide Ravenstein snel uit tot een belangrijke handelsplaats. Schepen voeren af en aan, handelaren brachten goederen mee en de stad kreeg steeds meer betekenis in de regio. Een pré was dat het eeuwenlang geen onderdeel van Brabant of de Republiek der Nederlanden was. Het was een zelfstandig mini-staatje binnen het Land van Ravenstein. Daardoor had de stad eigen regels, bestuurders en zelfs een eigen geloofsvrijheid. Terwijl in veel delen van Nederland het katholieke geloof verboden werd na de Reformatie, mochten katholieken in Ravenstein hun geloof gewoon blijven uitoefenen. Dat trok veel priesters, kloosters en gelovigen naar de stad. Ook de vestingwerken vertellen een verhaal. In de zeventiende eeuw werd Ravenstein versterkt met wallen, poorten en grachten om de stad te beschermen tegen vijanden. Een deel daarvan is nog altijd zichtbaar. Vooral de oude stadspoort en stukken van de vesting geven Ravenstein zijn karakteristieke uitstraling. Het stadje behoort dan ook tot de mooiste kleine vestingsteden van Nederland. In de negentiende eeuw verloor Ravenstein langzaam zijn militaire functie. De stad werd rustiger en ontwikkelde zich meer als regionaal centrum voor handel en ambacht. En tegenwoordig? Wandelaars, fietsers en liefhebbers van geschiedenis komen voor wat de stad te bieden heeft: oudheden, kleine terrasjes, oude winkeltjes en kunstgalerieën. Vooral in de zomer hangt er een ontspannen Bourgondische sfeer. De ligging aan de Maas maakt het extra aantrekkelijk. Veel mensen combineren een bezoek aan Ravenstein met een fietstocht langs de dijken of een tochtje met het pontje in de omgeving.



Na Ravestein ging onze tocht naar Batenburg, da’s weer Gelderland, want de “andere kant van de Maas“. We mochten de Maas over met een pontje. In verband met de pontjesdagen had UIT®WAARDE, de stichting die een aantal toeristische dingen in de omgeving “doet“ en ook een paar pontjes over de Maas in de vaart heeft, de overtocht opgevrolijkt: twee heren mochten het Nederlandse levenslied ten gehore brengen en volgens hen viel de Wild Rover daar ook onder. De schipper bracht voor dit muzikale gebeuren naast de normale overtochtprijs (€ 1,75 per persoon en alleen pinnen) geen extra kosten in rekening.



Batenburg hoort tot de gemeente Wijchen. Ook hier is weer sprake van een van oorsprong middeleeuws stadje (stadsrechten gekregen in 1349). Die middeleeuwse uitstraling is er nog steeds en dat komt vooral door de ruïnes van een kasteel. Ondanks zijn kleine omvang (als je de neuzen telt houdt het met zo’n 650 stuks op) heeft Batenburg stadsrechten sinds de middeleeuwen. Het stadje ontwikkelde zich rond het kasteel, ooit één van de belangrijkste kastelen van Gelderland. Het kasteel ontstond waarschijnlijk al in de twaalfde eeuw en werd gebouwd op een strategische plek langs de Maas. Daardoor konden de heren van Batenburg het rivierverkeer controleren én zich verdedigen tegen vijanden. Door de eeuwen heen werd het kasteel meerdere keren belegerd, uitgebreid en herbouwd. In 1794 kwam er een einde aan het kasteel: het werd grotendeels door de Fransen verwoest. De overblijfselenzijn nog steeds te bewonderen (volgens mij zijn grote delen opnieuw als bouwval opgebouwd). Valt er nog meer te zien? W noemde na afloop een hervormde kerk uit de 15e eeuw maar vooral de “pittoreske straatjes“ die nog heel middeleeuws aandoen. Las later dat Batenburg valt onder beschermd dorpsgezicht, wat bijdraagt aan de instandhouding van het historische erfgoed.



Een ander hoogtepunt van onze tocht vormde de Batenburgse standerdmolen, volgens de VVV-brochureéén van de mooiste én oudste molens van het Land van Maas en Waal.“ Hij staat er wel mooi bij: hoog op de dijk aan de rand van Batenburg en “vormt samen met de kasteelruïne een typisch beeld van het oude Maaslandschap“ (bron: hetzelfde foldertje van de VVV). Misschien goed omschreven door de VVV, maar ze liggen niet naast elkaar. De molen staat boven op de dijk aan de rand van het stadje, terwijl de ruïne iets lager en meer richting het centrum ligt en hemelsbreed zal het een afstand van zo’n kleine 400 meter zijn.

Toen W mij vroeg wat deze molen zo bijzonder maakt, kreeg ze van mij te horen dat het gaat om het type. Het is een zogenaamde standerdmolen. Dat is het oudste type windmolen van Nederland. Bij dit soort molens draait niet alleen de kap, maar de hele houten molenkast om een grote verticale houten paal, dat is de “standerd”. Daardoor kon de molenaar de molen precies in de wind zetten. “Je blijft gewoon een schoolmeester, al ben je al twaalf jaar met pensioen“, waren de woorden van W na mijn uitleg. Weet niet of ik dat helemaal positief moet opvatten. Van oudsher hoorde de molen bij het nabijgelegen kasteel. De heren van Batenburg hadden toen veel macht in de streek. Zij verplichtten boeren uit de omgeving hun graan uitsluitend in deze molen te laten malen. Zo’n molen werd een “dwangmolen” genoemd. Voor boeren was dat niet altijd ideaal, maar voor de kasteelheer leverde het inkomsten en controle op.

Via de Jumbo in Wijchen terug en na 23,9 kilometer konden de beentjes hoog en wat later een aspergesoep (woensdag al gemaakt samen met de aspergemaaltijd) naar binnen geslobberd worden. Na een uurtje rust moest W dringend een ijsje halen in Grave en mocht ik gebruik maken van haar kiepstoel. Een mooie dag: volgens Buienrader was het droog en om een uur of drie 27 graden. Dat “droog“ klopte in ieder geval, die temperatuur vind ik wat ruim bemeten. En morgen? Morgen is er weer een dag. We blijven nog een dagje het Land van Maas en Waal onveilig maken.