Gisteren om 16:00 uur was het zo ver: complet, full of gewoon zoals hier “vol“ (zie foto). Wij hebben een plaats in de herberg. En “hier in de herberg“ is Balgoy in het Land van Maas en Waal dat sinds 13 februari 2020 een eigen streekvlag heeft. Er zijn wat varianten in omloop maar volgens Wikipedia is de hier afgebeelde versie de enig juiste: “De vlag toont drie even hoge banen van wit-blauw-groen en een geel wapenschild in het midden waarin twee golvende rivieren die de letters M en W vormen.“
Word al een paar ochtenden wakker gezongen door Boudewijn de Groot. Eerlijk gezegd was het W die haar best probeert te doen. Ik prefereer eerlijk gezegd de versie van Boudewijn, die is namelijk iets zuiverder van aard. De tekst is in beide gevallen ongeveer hetzelfde:
Onder de groene hemel in de blauwe zon
Speelt het blikken harmonieorkest in een grote regenton
Daar trekt over de heuvels en door het grote bos
De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch…
Heb me altijd afgevraagd in hoeverre dit nummer (tekst van Lennaert Nijgh) iets met het Land van Maas en Waal te maken heeft. Het nummer verwijst naar verschillende zaken zoals de Egmondse abdij, Klaas Vaak, Pierlala, de koning van Spanje en tipt terloops een paar oerhollandse woorden aan als snoeshaan en brandewijn. Maar wat Egmond en Pierlala nu met het gebied te maken hebben waar ons campertje een paar dagen bivakkeert? Bijgaande foto laat Boudewijn de Groot zien met zijn gouden plaat die hij voor dit nummer kreeg in 1967. Op de achtergrond slot Loevestein dat volgens mij ook nog maar net met veel moeite in het land van Maas en Waal ligt (op de landtong waar de Maas en de Waal - als Afgedamde Maas - samenkomen. Persoonlijk zou ik dat eerder eerder de Bommelerwaard noemen: Loevestein ligt dan wel in het rivierengebied van de Maas en Waal, maar als je het hebt over “het Land van Maas en Waal“ dan heb je het volgens mij over een specifieke regio die iets oostelijker begint, rondom plaatsen als Druten en Wijchen. Maar ja: mijn geografische kennis van dit gebied is ook maar beperkt. Op onderstaande foto naast de vlag van Nederland die van Gelderland en natuurlijk kan het Land van Maas en Waal ook niet ontbreken. En ja: de vlaggemasten stonden scheef, de wind komt hier meestal uit het westen. Je ziet dat het vandaag niet erg waaide op de camperplaats.
Een ding moet duidelijk zijn: als je “Land van Maas en Waal“ hoort kun je op je klompen aanvoelen dat je te maken hebt met twee rivieren, de Maas en de Waal. Van oudsher was het gebied sterk afhankelijk van die rivieren. Deze zorgden voor vruchtbare landbouwgrond, maar brachten ook gevaarlijke overstromingen met zich mee. Daarom werden al eeuwen geleden dijken aangelegd om de dorpen en akkers te beschermen. Tegenwoordig zijn deze dijken niet alleen belangrijk voor de waterveiligheid, maar ook populair bij wandelaars en fietsers vanwege het mooie uitzicht over het rivierenlandschap. Boomgaarden vol bloesem in het voorjaar trekken extra toeristen aan. Volgens Yvon, de eigenaresse van onze camperplaats, is “haar“ gebied “een streek met een rijke geschiedenis, een karakteristiek landschap en een sterke band tussen mens en rivier“ en zij kan het weten: het staat ook in haar foldertje.
vrijdag 22 mei: @ balgoy
Vandaag stonden Ravenstein en Batenburg op ons programma, een fietsprogramma inderdaad. In vrijstaat Ravenstein waren we al een paar keer eerder. Weer zo’n klein stadje, maar die hebben meestal de grootste verhalen: Volgens kenners is het “[....] een stadje waar geschiedenis, religie, vestingbouw en Brabantse gezelligheid samenkomen. Juist die combinatie maakt Ravenstein zo bijzonder en geliefd bij bezoekers die houden van authentieke plekken met karakter.“ Je zoekt het aan de Maas, tussen Nijmegen en Den Bosch. Ravenstein ontstond in de veertiende eeuw rondom een kasteel dat werd gebouwd door ridder Walraven van Valkenburg. Aan hem dankt de stad ook haar naam. Dankzij de gunstige ligging aan het water groeide Ravenstein snel uit tot een belangrijke handelsplaats. Schepen voeren af en aan, handelaren brachten goederen mee en de stad kreeg steeds meer betekenis in de regio. Een pré was dat het eeuwenlang geen onderdeel van Brabant of de Republiek der Nederlanden was. Het was een zelfstandig mini-staatje binnen het Land van Ravenstein. Daardoor had de stad eigen regels, bestuurders en zelfs een eigen geloofsvrijheid. Terwijl in veel delen van Nederland het katholieke geloof verboden werd na de Reformatie, mochten katholieken in Ravenstein hun geloof gewoon blijven uitoefenen. Dat trok veel priesters, kloosters en gelovigen naar de stad. Ook de vestingwerken vertellen een verhaal. In de zeventiende eeuw werd Ravenstein versterkt met wallen, poorten en grachten om de stad te beschermen tegen vijanden. Een deel daarvan is nog altijd zichtbaar. Vooral de oude stadspoort en stukken van de vesting geven Ravenstein zijn karakteristieke uitstraling. Het stadje behoort dan ook tot de mooiste kleine vestingsteden van Nederland. In de negentiende eeuw verloor Ravenstein langzaam zijn militaire functie. De stad werd rustiger en ontwikkelde zich meer als regionaal centrum voor handel en ambacht. En tegenwoordig? Wandelaars, fietsers en liefhebbers van geschiedenis komen voor wat de stad te bieden heeft: oudheden, kleine terrasjes, oude winkeltjes en kunstgalerieën. Vooral in de zomer hangt er een ontspannen Bourgondische sfeer. De ligging aan de Maas maakt het extra aantrekkelijk. Veel mensen combineren een bezoek aan Ravenstein met een fietstocht langs de dijken of een tochtje met het pontje in de omgeving.
Na Ravestein ging onze tocht naar Batenburg, da’s weer Gelderland, want de “andere kant van de Maas“. We mochten de Maas over met een pontje. In verband met de pontjesdagen had UIT®WAARDE, de stichting die een aantal toeristische dingen in de omgeving “doet“ en ook een paar pontjes over de Maas in de vaart heeft, de overtocht opgevrolijkt: twee heren mochten het Nederlandse levenslied ten gehore brengen en volgens hen viel de Wild Rover daar ook onder. De schipper bracht voor dit muzikale gebeuren naast de normale overtochtprijs (€ 1,75 per persoon en alleen pinnen) geen extra kosten in rekening.
Batenburg hoort tot de gemeente Wijchen. Ook hier is weer sprake van een van oorsprong middeleeuws stadje (stadsrechten gekregen in 1349). Die middeleeuwse uitstraling is er nog steeds en dat komt vooral door de ruïnes van een kasteel. Ondanks zijn kleine omvang (als je de neuzen telt houdt het met zo’n 650 stuks op) heeft Batenburg stadsrechten sinds de middeleeuwen. Het stadje ontwikkelde zich rond het kasteel, ooit één van de belangrijkste kastelen van Gelderland. Het kasteel ontstond waarschijnlijk al in de twaalfde eeuw en werd gebouwd op een strategische plek langs de Maas. Daardoor konden de heren van Batenburg het rivierverkeer controleren én zich verdedigen tegen vijanden. Door de eeuwen heen werd het kasteel meerdere keren belegerd, uitgebreid en herbouwd. In 1794 kwam er een einde aan het kasteel: het werd grotendeels door de Fransen verwoest. De overblijfselenzijn nog steeds te bewonderen (volgens mij zijn grote delen opnieuw als bouwval opgebouwd). Valt er nog meer te zien? W noemde na afloop een hervormde kerk uit de 15e eeuw maar vooral de “pittoreske straatjes“ die nog heel middeleeuws aandoen. Las later dat Batenburg valt onder beschermd dorpsgezicht, wat bijdraagt aan de instandhouding van het historische erfgoed.
Een ander hoogtepunt van onze tocht vormde de Batenburgse standerdmolen, volgens de VVV-brochure “één van de mooiste én oudste molens van het Land van Maas en Waal.“ Hij staat er wel mooi bij: hoog op de dijk aan de rand van Batenburg en “vormt samen met de kasteelruïne een typisch beeld van het oude Maaslandschap“ (bron: hetzelfde foldertje van de VVV). Misschien goed omschreven door de VVV, maar ze liggen niet naast elkaar. De molen staat boven op de dijk aan de rand van het stadje, terwijl de ruïne iets lager en meer richting het centrum ligt en hemelsbreed zal het een afstand van zo’n kleine 400 meter zijn.
Toen W mij vroeg wat deze molen zo bijzonder maakt, kreeg ze van mij te horen dat het gaat om het type. Het is een zogenaamde standerdmolen. Dat is het oudste type windmolen van Nederland. Bij dit soort molens draait niet alleen de kap, maar de hele houten molenkast om een grote verticale houten paal, dat is de “standerd”. Daardoor kon de molenaar de molen precies in de wind zetten. “Je blijft gewoon een schoolmeester, al ben je al twaalf jaar met pensioen“, waren de woorden van W na mijn uitleg. Weet niet of ik dat helemaal positief moet opvatten. Van oudsher hoorde de molen bij het nabijgelegen kasteel. De heren van Batenburg hadden toen veel macht in de streek. Zij verplichtten boeren uit de omgeving hun graan uitsluitend in deze molen te laten malen. Zo’n molen werd een “dwangmolen” genoemd. Voor boeren was dat niet altijd ideaal, maar voor de kasteelheer leverde het inkomsten en controle op.
Via de Jumbo in Wijchen terug en na 23,9 kilometer konden de beentjes hoog en wat later een aspergesoep (woensdag al gemaakt samen met de aspergemaaltijd) naar binnen geslobberd worden. Na een uurtje rust moest W dringend een ijsje halen in Grave en mocht ik gebruik maken van haar kiepstoel. Een mooie dag: volgens Buienrader was het droog en om een uur of drie 27 graden. Dat “droog“ klopte in ieder geval, die temperatuur vind ik wat ruim bemeten. En morgen? Morgen is er weer een dag. We blijven nog een dagje het Land van Maas en Waal onveilig maken.



.jpeg)



.jpeg)
.jpeg)
.png)
.jpeg)

.jpeg)


.jpeg)
.jpeg)



.jpeg)
.jpeg)



.jpeg)




.jpeg)

.jpeg)






.jpeg)
.jpeg)



.jpeg)
.jpeg)




