Waarom ik niks vertelde over de band Normaal, vroeg H te Z. Heeft een eenvoudige reden, beste H te Z: Normaal heeft niet veel met Hengelo te maken, alleen het nummer “Oerend Hard“ is op het Hengelse Zand geënt. Het Hengelse Zand is een bosgebied hier in de buurt: "Oerend hard kwamen zij daar aangescheurd, op hun Norton en hun BSA". Bennie Jolink en Jan Manschot richtten de band rond de jaarwisseling van 1973/1974 op. De bakermat van de band lag en ligt in het Achterhoekse dorp Hummelo, de geboorteplaats van frontman Bennie Jolink. In maart van dit jaar hebben we in die plaats het standbeeld van Normaal bewonderd. Nog even voor de volledigheid: de band brak officieel door tijdens hun legendarische eerste grote optreden op Hemelvaartsdag 1975 in het Openluchttheater in Lochem.
donderdag 6 augustus: @ hengelo
“Kun je een route naar Doesburg uitstippelen, daar is een museum dat helemaal opgeknapt is en waar ik graag heen wil?“ was de vraag (of de opdracht) van W. Wist eerst niet welk museum ze bedoelde. Is ook niet verwonderlijk, want voor een stadje van nog geen 12.000 inwoners heeft het een museumaanbod waar menig veel grotere stad jaloers op kan zijn. Ik vergeet even het “kleine spul“, zoals het Ezelmuseum Rozan waaraan je alleen maar op afspraak een bezoekje kunt brengen en Museum De Maurits 1940-1945, een kleinschalig particulier oorlogsmuseum, geen eigen website, wel een facebookpagina. Ik beperk me even tot de wat grotere musea, waarvan we in de afgelopen jaren de meeste wel bezocht hebben. Erg leuk vond ik Streekmuseum De Roode Tooren, dat het verhaal van Doesburg en de omgeving vertelt. Je vindt er archeologische vondsten, stadsmaquettes, historische voorwerpen en een fraaie collectie van industrieel ontwerper Theo Colenbrander. Ondanks verschillende pogingen is het ons nog nooit gelukt de Doesburgsche Mosterd- en Azijnfabriek van de binnenkant te bekijken. Dit is een combinatie van werkende mosterdfabriek, museum en winkel. Je ziet hoe de beroemde Doesburgse mosterd al eeuwenlang wordt gemaakt, bekijkt oude machines en kunt uiteraard proeven. Volgens mij altijd dicht wanneer wij in Doesburg zijn (waarschijnlijk waren we er op zondag of op maandag, of te vroeg of te laat op een andere dag, of het stond - zoals vandaag - gewoon niet op ons lijstje). Een vreemde combinatie is het Openbaar Vervoer & Speelgoed Museum, waar we ooit een keer een regenachtige zomermiddag hebben doorgebracht: een verrassend museum met historische modeltreinen, trams, bussen en een grote speelgoedcollectie. Pas op voor schreeuwende kinderen! Het Zilvermuseum Doesburg in de Martinikerk heeft een bijzondere collectie zilveren voorwerpen, waaronder veel mosterdpotten uit binnen- en buitenland. Je pikt het museum gewoon mee tijdens een bezoek aan de kerk.
W doelde op een nog ander museum en liet de term “internationale topkunst“ vallen waardoor ik op het verkeerde been werd gezet: ik ben dol op oude meesters, maar die moet je niet zoeken in het Lalique Museum. Dit museum draait niet om Rembrandt of Vermeer. Het gaat over een kunstenaar die schoonheid zocht in glas, licht, bloemen, insecten en vrouwenfiguren. Ik lees voor uit andermans werk: “Het museum is volledig gewijd aan de Franse kunstenaar René Lalique (1860-1945), een van de belangrijkste ontwerpers van de art nouveau en later de art deco. Rond 1900 schokte hij de Parijse juwelierswereld door niet de kostbaarheid van het materiaal centraal te stellen, maar de schoonheid van het ontwerp. Glas, email, hoorn en halfedelstenen vond hij vaak interessanter dan diamanten. Daarmee zette hij de traditionele juwelierswereld op zijn kop. Later legde hij zich vrijwel volledig toe op glaskunst en ontwierp hij parfumflacons, vazen, schalen, lampen en zelfs complete interieurs. Zijn werk wordt wel vergeleken met dat van een uitvinder: telkens zocht hij nieuwe technieken en nieuwe toepassingen van glas“. Dat zo'n museum juist in Doesburg staat, lijkt op het eerste gezicht een raadsel. De verklaring ligt niet in René Lalique zelf (hij heeft nooit een bijzondere band met de Hanzestad gehad), maar in Nederlandse verzamelaars die in de loop der jaren een uitzonderlijk grote collectie bijeenbrachten. Rond die verzameling ontstond in 2011 het museum, dat inmiddels is uitgegroeid tot een internationaal erkend kenniscentrum over Lalique en zijn tijdgenoten. De officiële dure naam is dan ook “Stichting Société Musée Lalique Pays Bas“. Tot zover dit museum, kom er later nog op terug.
Kijk zo’n initiatief van mevrouw Nales moet je koesteren en Komoot en ik kwamen er samen wel uit. Het enige probleem is dat - wanneer je een beetje leuk wilt fietsen - je aan de kilometers komt. Voor W is 31 kilometer helemaal niks (voor mij in andere tijden ook niet), maar we leven nu eenmaal niet in andere tijden. Lettend op de wind en de pauzemogelijkheden kwamen zij van Komoot en ik op een route die bestond uit 19,1 km weg, 6,09 km fietspad, 4,30 km pad en 1,47 km straat. Wil je liever de ondergrond? Kan ook: 17,3 km asfalt, 3,93 km verhard, 4,29 km onverhard, 4,18 km kasseien (oeps!) en nog een beetje “onbekend“. Ik beschrijf hier wel de heen en terugweg. Tenminste .... dat was de bedoeling, maar je kent mijn lievelingsuitdrukking "het kan verkeren".
Dus fietsen naar Doesburg! Natuurlijk niet alleen omdat daar een museum is, een mosterdfabriek voor Abraham speelt of een kerk die volgens de beschrijvingen absoluut de moeite waard is (vooral wanneer je daar ook naar het zilver gaat kijken). Het gaat ook om de route heen en terug en om de aantrekkelijkheid van Doesburg zelf, maar dat laatste wisten we al van onze vorige (veelvuldige) bezoeken, we weten allang dat de stad mooi is. De oude straatjes liggen erbij alsof ze gisteren nog door een paardenkar zijn gladgereden. Scheve gevels leunen een beetje tegen elkaar aan, alsof ze elkaar na zeven eeuwen nog steeds overeind houden. We hebben te maken met een oude, trotse Hanzestad. Dat lees je in iedere brochure en elke Doesburggerelateerde website. Doesburg wordt voor het eerst genoemd in een akte die gedateerd is tussen 1053 en 1071. In die tijd bestond de omgeving uit moerassen en zandruggen waarvan sommige bewoond werden. De naam Doesburg duidt ook op een dergelijke omgeving. Volgens taalkundigen waren does, duis en doze benamingen voor een met struiken of bomen begroeid moeras. De toevoeging van het woord burg aan het woord does wijst op een burcht of nederzetting in een dergelijk moerasgebied (bron: Bezoek Doesburg).
De heenweg had wat voeten in de aarde. Zij van Komoot en de familie Nales hadden een meningsverschil over de toegankelijkheid van een “pad“, zo’n parallelgrasbaanstrook langs een watertje met de illustere naam “Grote Beek“; weinig van overgebleven van die beek door de droogte van de laatste tijd, maar dat is weer een compleet ander verhaal. Ik had het idee dat er sinds het uitsterven van de mammoet geen levend wezen meer over het pad gebaterd had, W mompelde iets over “pas gemaaid gras“. Beiden waren we de overtuiging toegedaan dat Komoot het op haar/zijn buik kon schrijven en dat we nevernooitniet over deze parallelgrasbaanstrook langs een watertje met de illustere naam “Grote Beek“ zouden gaan fietsen. Het resultaat van deze beslissing was wel dat we een eind terug moesten (zie het piemeltje rechts op de kaart) en de route werd aangepast tot uiteindelijk 37,2 kilometer.
We hadden een westenwind kracht 4 en onze heenweg ging inderdaad voornamelijk naar het westen. Voordeel van deze routechange was wel dat we langs Rijkswerkkamp de Wittebrink kwamen. “Begin dit jaar nog langsgefietst“, sprak W en inderdaad heb ik het in mijn blog van 23 augustus 2024 beschreven dus ik volsta vandaag met een foto.
We kwamen dus voor dat ene museum, Lalique. Om eerlijk te zijn: W kwam voor dat museum, ik werd met mijn telefoon geparkeerd op een prettig bankje in de winkelstraat (tegenover de Hema). Beweging genoeg gehad en om me nu in een rolstoel tussen de kunst rond 1900 te laten voortduwen en links en rechts een blik te werpen op beroemde vazen, parfumflacons en indrukwekkende sieraden, vind ik nog een beetje te vroeg in mijn tijd. Ik doe het met de observaties van W: “Mooi, een libel blijkt ook een vrouw te zijn, een orchidee verandert ongemerkt in een gezicht en een pauwenveer blijkt uit tientallen ragfijne glaslagen te bestaan“.
Terwijl W aan het genieten was, las ik iets over de geschiedenis van Lalique: “De afgelopen jaren heeft het museum […] een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Na een ingrijpende restauratie werd de dertiende-eeuwse Commanderij, een voormalig gebouw van de Duitse Orde, onderdeel van het museum. Daardoor beschikt het nu over drie monumentale panden, waarin de middeleeuwse architectuur een verrassend decor vormt voor de sierlijke kunst uit de belle époque. Die tegenstelling werkt wonderwel: eeuwenoude bakstenen muren en flinterdun glas versterken elkaar eerder dan dat ze botsen“.
Natuurlijk moet ik het nog over de mosterd hebben. Iedereen begint erover. Alsof je Doesburg niet mag verlaten zonder een potje mee te nemen “voor in de camper“. Dat is waarschijnlijk ook zo. Maar we halen de mosterd wel bij de super. Mosterd is net als wijn: als je het proeft in een bepaalde omgeving smaakt het totaal anders dan wanneer je thuis zo’n potje (mosterd) of fles (wijn) opentrekt. We hebben dus de mosterdfabriek annex -museum ook deze keer geskipt. Kan je nog sterker vertellen: de beloofde scherpe geur hebben we niet eens kunnen waarnemen, terwijl we er toch vlak langs gefietst zijn. “De scherpe geur uit de oude mosterdfabriek hoort net zo bij de stad als de kinderkopjes en de stadspoorten“, was ons beloofd op de site van de toeristendienst. Huiswerk even overdoen jongens (en meisjes).
De terugreis was één groot feest, want de wind overwegend achter. Met een “viertje“ in de rug is het prettig fietsen. Druk aan de IJssel bij Capfun. Veel Duitsers, maar dat hadden we ook al in Doesburg geconstateerd. Veel mensen en maar weinig IJssel, die stond ernstig laag. Veel “gewoon Achterhoek“ en één keer een veld met onbekend spul. Luzerne, je mag ook Alfalfa zeggen. In beide gevallen is de officiële naam Medicago sativa. Luzerne is Nederlands, Duits en Frans, terwijl Alfalfa de Engelse en Spaanste benaming is. Tijdens de Moorse overheersing van Spanje kwam de plant én de naam in Europa terecht. De plant wordt al meer dan 2.000 jaar verbouwd als veevoer en wordt niet voor niets de “koningin van de voedergewassen“ genoemd. Nog even terugkomend op de naam: als je in de Achterhoek een boer vraagt of hij alfalfa verbouwt, zal hij waarschijnlijk even nadenken. Vraag je of hij luzerne heeft staan, dan wijst hij je zo het perceel aan.
Om vier uur thuis en als je dan een paar minuten wacht zit de vijf in de klok: W een Steenbrugge Blond en ik een Hertog Jan, beide dorstlessend. In de ruststand, verhaal schrijven, Japanse blog van dochter lezen, douches inspecteren en nadenken over de bereidingswijze van de spareribs die we vandaag nuttigen: op de gasgril, in de gasoven of in de elektrieke wokpan. Je ziet dat we grote problemen hebben. Een mooie dag. Morgen zijn we voorlopig uitgeprutteld. W gaat op de fiets naar huis en ik mag de bus aan de Kötteldiek parkeren en dan met een bloedgang naar het museum, want regelzaken. Ik meld me als er wat te melden is.
.jpeg)

.webp)





.jpeg)

.jpeg)


